Marjolein spreekt bij 80-jarig bestaan WBS

Op 28 augustus 2026 viert de Wiardi Beckman Stichting (WBS), het wetenschappelijk bureau van de PvdA haar 80-jarige bestaan in de Rode Hoed in Amsterdam. Marjolein sprak over het belang van ideologische standvastigheid en riep op om onze ideologische veren met trots te dragen. Lees haar speech hieronder.

Deze zomer las ik de mooie essaybundel ‘Tijd van Hoop’ van Joke Hermsen en daarin stuitte ik op een dichtregel van Emily Dickinson die ik sindsdien niet meer uit mijn hoofd krijg: “Hoop is een ding met veren! Een ding met veren dat neerstrijkt in de ziel.”

Je voelt het fladderen in je buik. Je voelt hoe het je optilt boven de dagelijkse sores. Hoe het je meevoert naar een betere tijd. Hoe het je verbeeldingskracht aanzet.

Hoop is iets dat vaak verkeerd wordt begrepen. Als iets passiefs. Of als iets heel naïefs. Je kan je maar beter neerleggen bij de realiteit, zeggen mensen dan. 

Maar juist die houding is passief. Mensen die dat beweren gaan uit van een onveranderbare realiteit. Een wereld waar we geen enkele invloed op uit kunnen oefenen.

En dat is bijna het tegenovergestelde van waar een progressieve beweging als de onze voor staat. Progressieve politiek is per definitie gebaseerd op de gedachte dat het we de wereld beter kunnen maken. Dat we de wereld rechtvaardiger en eerlijker kunnen maken.

Waarom zou je überhaupt politiek bedrijven als je niet gelooft dat het beter kan?

Hoop is een daad van verzet. Je moet het lef hebben om te durven hopen. En het zet aan tot actie. Juist doordat we de hoop hebben dat het anders kan, komen we in beweging.

Ook als we niet zeker weten of het daadwerkelijk lukt.

“Hoop is het vermogen om voor iets te werken omdat het goed is, niet alleen omdat het kans van slagen heeft”, leerde Vaclav Havel ons. Het is de bereidheid om je in te zetten voor een ideaal omdat je voelt dat dat het juiste is om te doen.

Hoop geeft ons vleugels

Ik weet zeker dat velen van jullie hier vanmiddag naartoe zijn gekomen op zoek naar hoop. Op zoek naar progressieve houvast in een onrustige tijd. Een tijd waarin niet de hoop maar de vrees lijkt te overheersen. Een sentiment waar conservatieve krachten -zowel in hun gematigde, traditioneel-rechtse of neoliberale vorm, maar toenemend ook in een populistische, radicale en extreme vorm- gretig gebruik van maken en wat ze blijven voeden. Want angst is niet nieuwsgierig, zoekt niet naar vooruitgang en verbinding. Angst verlamt, doet ons verstarren, laat ons van elkaar en van de wereld afkeren. Angst verdeelt, maakt egoïstisch, staat solidariteit in de weg en sluit ons op in een vals verlangen naar een verleden dat nooit heeft bestaan.

We hebben hoop nodig om samen vooruit te komen. Hoop is een onontbeerlijke brandstof voor progressieve politiek en we zoeken terecht naar waar we die uit kunnen putten. Dat we daarbij kijken naar de inzichten van onze progressieve voorgangers is verstandig, want juist als we verder willen komen helpt het om naar het verleden te kijken. Zoals Rebecca Solnit schrijft in ‘Hope in dark times’: “Wie vooruit roeit, heeft de blik naar achteren gericht”.

Juist de kennis en de ervaringen uit het verleden voeden de hoop dat het anders kan. Het is eerder gezien, eerder gedurfd, het is het waard om het te blijven proberen.

Ik dank Joop, Monika, Paul, Tessa en Frank heel hartelijk voor de wijze woorden en waardevolle bespiegelingen die ze met ons hebben gedeeld ten aanzien van vier rapporten die in de afgelopen 80 jaar kleur hebben gegeven aan de ideologische ontwikkeling binnen de WBS.

De weg naar vrijheid, geschreven in de na-oorlogse jaren, leert ons dat alleen bestaanszekerheid ons tot echt vrije mensen maakt, vrij van angst voor het eigen bestaan en daarmee vrij om zichzelf te ontplooien.

Om de kwaliteit van het bestaan leert ons daarbij dat leven draait om zoveel meer dan individuele, materiële welvaart. Wat hebben we aan nog een vliegvakantie, nieuw model telefoon of macha latte, als ondertussen onze kinderen slecht onderwijs krijgen, als we geen betaalbaar huis kunnen vinden en de wereld om ons heen letterlijk in de fik staat?

Dat collectieve actie en solidariteit het antwoord zijn op grote maatschappelijke problemen wordt steeds weer duidelijk en is zeer relevant voor de tijd waarin we leven. Dit is de reden dat we ons als PRO met hand en tand blijven verzetten tegen de bezuinigingen op de sociale zekerheid van dit kabinet. Sommigen verwijten ons dat we daarmee te weinig veranderingsbereidheid tonen. Alsof progressief betekent dat alles altijd maar moet veranderen, ook het goede. Alsof het vooruitgang zou zijn als we dat wat ons collectief beschermt tegen pech in het leven en bestaanszekerheid biedt, kapot zouden maken. Progressief is het spiegelbeeld van rechts-conservatief. In plaats van een angstig land van ieder voor zich, van zoek het zelf maar uit, waar vooral het recht van de sterkste geldt, streven wij een hoopvol land na van gelijke kansen en gelijke rechten. Want wat verdedig je eigenlijk als land, wie zijn wij nog als natie, als we niet eens meer de onderlinge solidariteit kunnen opbrengen om elkaar op te vangen bij ziekte of werkloosheid?

Bij het streven naar een rechtvaardige natiestaat hoort ook het kritische beschouwen van de macht van de overheid in relatie tot burgers, zoals Kalma deed in de illusie van de democratische rechtstaat. Wij zijn immers sociaaldemocraten. Wij zijn niet voor een groot overheidsapparaat an sich, zoals wij vaak onterecht krijgen aangesmeerd door rechts. Wij zijn wél voor een sterke overheid die dienstbaar kan zijn aan haar burgers, ruimte geeft voor initiatief, inspraak en zeggenschap, de tijd neemt om te handelen vanuit de leefwereld in plaats van de systeemwereld, zich niet opsluit in bureaucratie en regels, gebod en verbod, maar naast mensen staat, verder helpt en kansen biedt.

Want een democratische rechtsorde is allereerst ook een sociale rechtsorde, waarin de sociale grondrechten van mensen worden gerespecteerd, leert ook Herman Tjeenk Willink ons niet nalatend. Dat gaat veel verder dan het voorkomen van gruwelijk overheidshandelen zoals gebeurde bij het toeslagenschandaal en de gaswinning in Groningen. Veel van de sociale grondrechten die in 1983 in de grondwet zijn verankerd - het recht op bestaanszekerheid, werkgelegenheid, volksgezondheid en leefmilieu, onderwijs en huisvesting – staan tegenwoordig onder druk.

Ironisch genoeg bleek het tijdperk waarin de sociale grondrechten werden vastgelegd en waarin Kalma zijn rapport schreef, juist ook het keerpunt in onze verzorgingsstaat. Met de opkomst van new public management en toenemende neoliberale invloed binnen het ambtelijk apparaat kwam alles langs een kosten-efficiëntiemeetlat te liggen. Belangrijke voorzieningen als zorg en onderwijs werden niet meer op hun grote maatschappelijke bijdrage gewaardeerd, maar als kostenpost bezien. Het was de opmaat naar de Paarse jaren, van de derde weg, waarin onze collectieve voorzieningen steeds meer aan de markt werden gelaten.

Dat we daarmee veel van waarde kwijtraakten, maakte Monika Sie Dian Ho glashelder in 2013. Van waarde is vooral een oproep tot meer ideologische standvastigheid en herkenbaarheid na jaren van politiek management. Een oproep om sociaaleconomisch naar links, sociaal-cultureel naar binding en politiek naar versterking van zeggenschap te gaan. Een oproep die we ons nog steeds ter harte kunnen nemen. Van Waarde werd geschreven tijdens de Rutte 2-jaren, waarin ons land juist een meer neoliberale kant op werd gestuurd, met medewerking van de PvdA. En daarmee is dit rapport niet alleen een ideologische richtingwijzer maar ook een fundamenteel bewijs van het grote belang van een stevig onafhankelijk wetenschappelijk bureau dat het ideologische fundament van de sociaal-democratische politiek voortdurend bewaakt, aanscherpt en bijstelt, zodat het levend blijft. Ook, of juist, als we regeringsverantwoordelijkheid dragen.

Dat betekent overigens niet dat er geen richtingenstrijd en interne scherpe discussie mag plaatsvinden. Juist kritisch denken en onderling debat zijn het bewijs van een levende ideologie die zich permanent verhoudt tot de tijd. En is bovendien van alle tijden.

In ‘onszelf blijven’, de WBS publicatie over het leven en werk van Stuuf Wiardi Beckman, halen Becker en Huurenkamp een quote aan van de prominente SDAP volksvertegenwoordiger George van de Bergh die zo’n eeuw geleden over de partij zei: “De beweging is -om het kras uit te drukken- geworden tot een N.V. tot behartiging van materiële belangen en belangetjes van groepen van industrie-arbeiders, zonder levend geloof in socialisme en zonder konstruktieve socialistiese gedachten. Vandaar dat de partij, noch als oppositie, noch als regeringspartij, aan redelike verwachtingen kan beantwoorden”

Ook dat wij geen ‘brede volkspartij’ en ‘partij voor de arbeider’ meer zouden zijn werd ons 100 jaar geleden al aangesmeerd toen de SDAP werd bestempeld als de ‘schoolmeesters, dominee en advocaten-partij’.

Dit leert ons dat kritiek en onderling debat ons niet moet verlammen, maar juist moet voorstuwen. Het is het bewijs van een levend ideologisch verlangen. Van een brede volkspartij die zich niet verenigt langs demografische scheidslijnen of sociaal-economische klassen, maar rondom een gedeeld ideaal. Het is geen roep om ons te ontdoen van ideologische veren, maar juist om ze op te poetsen en ermee te pronken. Een verlangen naar een progressief, sociaaldemocratisch antwoord op de uitdagingen van de tijd. En zoals het een democratische brede volkspartij betaamt is er dan altijd debat hoe ons gedeelde ideaal politiek zo goed mogelijk vormgegeven kan worden.

Precies waar Wiardi Beckman ook mee te maken had toen hij in de jaren dertig verantwoordelijk was voor het partijprogramma van de SDAP. Ook toen kende de partij al brede vleugels en moest hij een balans zien te vinden tussen de marxisten die vasthielden aan de klassenstrijd, de religieus socialisten die het geloof bleven zien als bron van inspiratie, de procesgeoriënteerde reformisten en de eeuwige aarzelaars en twijfelaars.

Door precies de goede combinatie te vinden tussen vernieuwing en continuïteit wist hij verschillende opvattingen te verenigen in een breed verenkleed en werd daarmee de hoopdrager van de SDAP in donkere tijden.

Zijn moed, menslievendheid, verbindingskracht en verzet tegen fascistisch gevaar werden hem uiteindelijk fataal, maar zijn ons al die jaren na zijn dood in 1945 blijven inspireren. We hadden ons geen betere naamgever van ons wetenschappelijk instituut kunnen wensen de afgelopen 80 jaar.

En juist in deze tijd is het zaak om onze historische traditie en inspiratie niet uit het oog te verliezen. Nu we onze sociaaldemocratische krachten met de linkse groene krachten hebben gebundeld om sterk te staan in een tijd waarin radicaal, populistisch, zelfs fascistisch gedachtegoed weer aanhang wint; democratische rechten die we inmiddels vanzelfsprekend vonden, opnieuw ter discussie staan; en de eerlijke spreiding van kennis, macht en inkomen opnieuw uit beeld raakt, terwijl nieuwe technologie in hoog tempo verandert hoe we samenleven, de klimaatverandering exponentieel toeneemt en samen met de geopolitieke spanningen de toekomst onzeker maakt.

We verenigden onze krachten om sterk te staan in deze onrustige tijd en daarbij is het onze opdracht om onze historische traditie te verbinden aan een actuele maatschappelijke analyse, een toekomstgericht programma en dagelijkse praktische politiek. Groot denken en klein doen te combineren. Het verleden leert dat het grootste gevaar voor onze beweging niet is dat we onderling discussiëren over onze ideologische veren en onze brede vleugels uitslaan. Het grootste gevaar is dat we die ideologische veren niet blijven oppoetsen, na periodes van rui weer laten aangroeien, nalaten om onze ideologische verentooi vol trots te tonen aan de wereld om te laten zien waar we voor staan, wie we zijn en waar we heen willen vliegen: een rechtvaardige wereld met gelijke kansen, waarin we onze welvaart eerlijk delen en goed zorgen voor elkaar en onze leefomgeving.

Hoop is een ding met veren.

Zonder veren zijn we immers als een kaal windhaantje op de kerktoren die met alle winden meewaait.

De afgelopen decennia hebben velen van jullie in de zaal, binnen en buiten de WBS, die veren, die hoop vormgegeven. Als auteur, donateur, vrijwilliger, onderzoeker, fellow, in de redactieraad, in het curatorium, op het bureau. En als voorzitter wil ik iedereen daar heel erg hartelijk voor danken!

En ik hoop en vertrouw dat ons wetenschappelijk instituut voor solidariteit, dat volgende week wordt opgericht, inspiratie blijft putten uit al het werk dat is gedaan. Als een sociaal democratische odyssee voor de ontwikkeling van ons progressieve streven. Zodat wij altijd een baken van hoop blijven voor mensen die willen dat we als samenleving de boel bij elkaar houden, in vrijheid, zekerheid en gelijkwaardigheid kunnen samenleven, beschermen wat ons dierbaar is en samen vooruitgaan.

In Dachau lag de Homerus onder Stuuf’s matras. Vlak  na zijn sterven in 1945 kort voor de bevrijding, dichtte zijn kampgenoot Ed. Hoornik over hem:

Toen schoof hij zacht zijn arm

Onder mijn arm door.

‘Zeg mij’ – zijn stem was warm –

‘Aan wie ik toebehoor’

‘Soms, lezend in Homerus,

Leef ik buiten den tijd,

Maar dan neemt weer de wereld

Mij binnen haar bereik’

 

Moedig voorwaarts!

Volgende
Volgende

Marjolein geeft Spiekmanlezing op Dag van de Arbeid